It’s a real river, stupid!

Laatst vroeg een jonge collega me op een feestje: wat komt er nu allemaal bij kijken als je een communicatieve maatwerktraining voor anderstaligen ontwerpt? Op de achterkant van bierviltje maakte ik een schets in de vorm van een rivier:

Eerlijk gezegd was ik tamelijk tevreden met mezelf dat ik op de metafoor van een rivier kwam en mijn gesprekspartner ook visueel kon aantonen dat het ontwerp binnen de bedding moet blijven, dat het daarbij niet gaat om vrije expressie maar om doelgerichtheid die onlosmakelijk verbonden is met doelen van de vaargasten in het bootje, dat er beperkingen bestaan in de vorm van formele en inhoudelijke randvoorwaarden. Een mooi overzicht! Tot ik op de fiets naar huis mijn Clinton-moment kende en wist dat ik het meest essentiële vergeten was: mijn getekende rivier doet weliswaar veel stof opwaaien, maar waar is het stromende water? Mijn rivier lijkt op het zwembad met daarin alleen gekneusde en gebroken zwemmers: de volgende keer doet de badmeester er water in!

‘Panta rhei’, zei Heraclitus al: ‘alles beweegt.’ ‘ U kunt niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want het is steeds weer vers water dat u tegemoet stroomt.’

Geredeneerd vanuit een contextuele invalshoek is  het argument voor meer dynamiek gemakkelijk gemaakt. Ik hoef maar te kijken naar ontwikkelingen binnen mijn gemeente Arnhem: driehonderd ambtenaren verliezen in de komende jaren hun baan en van de andere elfhonderd is niemand zeker dat zijn functie dezelfde inhoud behoudt. Men reshuffelt en reorganiseert. De trend binnen overheid en bedrijfsleven valt samen te vatten met de boektitel: ‘Bij welke reeorganisatie werkt u?’. Natuurlijkheeft dit consequenties voor de inhoud van een maatwerktraining: wie het maatwerkjasje te nauw ontwerpt, zorgt al snel voor ademnood bij de klant. Het kunstje van vandaag is de ontslaggrond van morgen. Wat bij de inhoudelijke randvoorwaarden hierboven zo eenduidig en solide benoemd staat als setting en context blijkt te bestaan uit schuifpuien: de context ontstaat in de communicatie tijdens de verbouwing.

Maar ook puur vanuit de vakinhoud bezien is er alle aanleiding voor een grotere flexibiliteit. Ik neem willekeurige voorbeelden uit eigen trainingssituaties.

Een buitenlandse arts in opleiding maakt mij (gelukkig was ik patiënt in een simulatiegesprek) kenbaar dat ik een ‘gedilateerd hart’ heb. Als ik onbegrip toon, komt hij nu met het begrip cardiomyopathie en verminderde hartpompwerking. Als ik het dan nog steeds niet begrijp, ontlok ik hem de verontwaardigde uitspraak: ‘U moet mij maar geloven. Ik ben hier de arts en het gaat slecht met uw hart.’

Een cursist heeft de taak telefonisch contact op te nemen met de heer Frederiks en te vragen naar de status van een bestelling. Als ik (wederom in een simulatiegesprek) opneem met: ‘Van de Kabargenbock’ doet de cursist mij het hele verhaal van de bestelling in extenso uit de doeken en komt hij er pas na herhaalde interruptie achter dat hij niet de juiste persoon aan de lijn heeft. Dan volgt een lange stilte zonder verdere inbreng.

In een privétraining houdt een manager een presentatie in het werkoverleg. Als ik niet vol in haar gezichtsveld plaatsneem, maar juist zijdelings van haar en haar vraag rond te kijken (zich ook andere luisteraars voor te stellen) en oogcontact te maken, lukt het deze gevorderde spreker niet meer om met de presentatie te beginnen.

Natuurlijk liggen er verschillende redenen aan ten grondslag dat deelnemers in eerste instantie niet tot een oplossing komen voor het gestelde probleem in de taken. In casus 1 en 3 kunnen culturele achtergronden spelen. Het kan bijvoorbeeld gaan om rolopvatting van een arts (1), of om een vrouw die oogcontact moet maken met een man (3). Het kan ook gaan om frustratie bij een gebrek aan woordenschat (casus 1) of om de synchroniciteit van taal en handeling (presenteren en rondkijken in casus 3). Casus 2 wijst op een nog andere mogelijke reden waarom in eerste instantie niet aan de taak wordt voldaan: cursisten zijn eraan gewend dat in een oefening alleen gevraagd wordt van te voren bepaalde woordenschat en taalfuncties in stelling  te brengen om tot succes te komen. We bieden hen over het algemeen te veel zekerheid.

Hoewel de achtergronden voor het voldoen aan de taken in de drie casusposities  sterk uiteenlopen, hebben ze met elkaar gemeen dat pas na problematisering in het spel/scenario de werkelijke communicatieve problemen naar boven komen. Ook wordt duidelijk dat de student voor de oplossing daarvan flexibiliteit en creativiteit nodig heeft.

Met stromend water in de rivier is er geen aanleiding het beeld van bedding, randvoorwaarden, doel en deelnemer uit het oog te verliezen. Wel om deelnemers (geleidelijk) te laten wennen aan de communicatieve maalstroom van deze tijd. Mijn stelling is dat we hierop niet hoeven te wachten totdat ze een vergevorderd taalniveau hebben bereikt. Er bestaan hoge golven die vergaande stuurmanskunst vereisen, maar er zijn ook onverwachte golfjes die even iets meer vragen dan: gewoon doorzwemmen Jantje.

Geert van de Ven

Nb

Eerder publiceerde ik in Les 142, sept. 2006 onder de titel Kennis en/of Fingerspitzengefühl uitgebreider  over het onderwerp hierboven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.


%d bloggers liken dit: